Andy van Ommeren wildfotografie

 HET DAMHERT 

Dama dama 

Familie: Herten (Cervidae)

Klasse: Zoogdieren (Mammalia)

Orde: Evenhoevigen (Artiodactyla) 

Mannetje: hert
Vrouwtje: hinde
Jong: kalf 

ALGEMEEN

 
Uit archeologische vondsten blijkt dat het damhert in prehistorische tijden in geheel West Europa voorkwam. Waarschijnlijk door klimaatveranderingen, tijdens de laatste ijstijd, verdreven naar zuidelijker gebieden. De huidige damherten zijn nakomelingen van door de mens opnieuw ingevoerde exemplaren. Het damhert  is vooral bekent als parkhert. Toch leven op veel plaatsen in Nederland, zoals de Veluwe, damherten in het wild.  Het is een beschermde inheemse diersoort. Damherten hebben een groot aanpassingsvermogen en zijn begaafd met scherpe zintuigen. Het zijn herkauwers. 

UITERLIJK 

Qua grootte zit het damhert tussen het ree en het edelhert. Alleen het hert heeft een gewei. Een volwassen hert weegt ± 80 kilogram, een hinde ± 60 kilogram. De schouderhoogte 80- tot 110 centimeter. De kleur van de vacht kan sterk variëren, van geheel wit tot volledig zwart al dan niet met stippen. De donkere tint van de vacht van de damherten op de Veluwe is bereikt door jarenlang selectief afschot door grondeigenaren en of populatiebeheerders omdat zij dat mooi vonden. Eén van de kenmerken is de grote adamsappel bij het hert. Damherten hebben een typische manier van voortbewegen. Bij vluchtgedrag springen ze met vier poten tegelijk omhoog en “stuiteren “ weg.  

GEWEI 

Het gewei wordt jaarlijks afgeworpen in april of mei. Onmiddellijk daarna begint het nieuwe gewei te groeien. Het nieuw te vormen gewei is zacht en kwetsbaar en wordt beschermt door de bast, een fluwelige goed doorbloede huid. Als in augustus / september het gewei volgroeid is sterft de bast af. De dode huid wordt door middel van vegen aan boompjes en stuiken verwijderd. De geweivorming van het jonge damhert heeft veel gelijkenis met die van het roodwild. De rozenstokken ontwikkelen zich al na zeven tot acht maanden en zijn zichtbaar als knobbels op de kop.  In het tweede levensjaar heeft het jonge hert een onvertakt “spitsergewei” tot ongeveer 15 centimeter hoog.  De jaren erna krijgt het gewei een totaal ander vorm. Het gewei is aan beide zijden boven de middentak breed en zijdelings afgeplat met daaraan nog enkele korte enden, het schoffelgewei. Het gewei wordt groter en zwaarder naarmate het hert ouder wordt.  Rond het achtste tot tiende levensjaar is het gewei op z’n sterkst. Daarna zet het gewei zich terug (kleiner worden). 

Opbouw  schoffelgewei  

LEVENSWIJZE 

Hoewel van nature dagdieren zijn damherten door verstoring en of bejaging meer “schemerdieren” geworden. Ze hebben een voorkeur voor lichte loof- en gemengde bossen met dichte ondergroei. Hierin trekken zij zich overdag terug om te rusten en te herkauwen. De volwassen damherten leven naar geslacht gescheiden in groepen (roedels).De hinden met hun kalveren van dit en het voorgaande jaar leven in familieverband, aangevoerd door leidhinden (dominante vrouwtjes). De grootte van de hertenroedels varieert gedurende het seizoen en zij trekken veelvuldig heen en weer door hun territorium. De hinden daarentegen zijn, mits er voldoende voedsel en weinig verstoring is, behoorlijk plaatsvast. 

PAARTIJD 

De bronst (paartijd) speelt zich af van half oktober tot half november. De oudere herten gaan elk jaar naar de zelfde plek in het bos om hun bronstplaats in te nemen. De bronstplaats bestaat uit een ondiepe kuil die wordt besprenkelt met urine. Door zacht kirren, snurken en gorgelen geeft hij de plaats aan waar hij de hinden opwacht. De hinden bezoeken meerdere herten en kiezen zelf welk hert voor het nageslacht mag zorgen. Na de bevruchting verlaat de hinde de bronstplaats. De draagtijd is zo’n 8 maanden. 

GEBOORTE 

In juni na een draagtijd van ongeveer 230 dagen zoekt de hinde een goed beschutte plek in het bos om haar kalf te zetten. Doorgaans wordt er één kalf geboren en zelden twee. Het gewicht is tussen de vier en vijf kilogram. Het nagenoeg geurloze kalf wordt door de hinde alleen gelaten goed verscholen in de dekking. Wel blijft zij in de buurt. Het kalf geeft zo weinig geur af dat vossen en andere predatoren het kalf niet of nauwelijks kunnen vinden. Geregeld keert de hinde bij het kalf terug om het te zogen en te verzorgen.  De zoogtijd is zo’n drie maanden. De kalveren blijven tot ongeveer anderhalf jaar bij de hinde.

Ga hier naar de foto's van damwild.