Andy van Ommeren wildfotografie

 DE DAS 

Melis melis 

Familie: Marterachtigen (Mustelidae)

Klasse: Zoogdieren (Mammalia)

Orde: Roofdieren (Carnivora)  

ALGEMEEN 

De das is het grootste landroofdier van Nederland en is een beschermde inheemse diersoort. Het gehoor en de reukzin zijn sterk ontwikkeld, maar het gezichtsvermogen is zwak. Onder de staart zit een geurklier waarmee het territorium wordt afgebakend. Het zijn omnivoren (alleseters). Hoewel het gebit anders doet vermoeden, bestaat het hoofdvoedsel uit regenwormen. 

UITERLIJK 

De vacht is ruw en zwart-witte dekharen geven de das een grijs uiterlijk. De kop is wit met aan beide zijden twee zwarte strepen, die van de neus via ogen en oren naar het achterhoofd lopen. Ze hebben een gedrongen lichaam ,een korte staart en poten met krachtige klauwen. Lengte 70 – 80 centimeter, gewicht al naargelang geslacht 7 tot 17 kilogram. 

LEVENSWIJZE 

Dassen zijn zeer sociale en propere dieren. Ze wonen in familiegroepen soms generaties lang in dezelfde burcht. Een burcht heeft meerdere ingangen en bestaat uit ondergrondse holen, die door lange gangen met elkaar verbonden zijn. Het woongedeelte is bekleed met gras en varens en wordt geregeld verschoond.  Op enkele meters afstand van de burcht hebben ze zogenaamde latrines (kuiltjes in de grond) waar ze hun behoefte doen. In de schemer verlaten ze de burcht en verzorgen ze de vacht. Voor ze op pad gaan, alleen of samen, is er contact met de medebewoners.

GEBOORTE
 

Dassen kunnen het hele jaar paren maar de piek ligt in de zomer. Net als reeën hebben de vrouwtjes een verlengde dracht. De vrucht ligt tot december stil. In de burcht wordt een kraamkamer ingericht en bekleed met zachte en droge planten.  Rond februari worden twee tot vijf jongen geboren. Na een maand gaan de oogjes open en na een week of acht nemen ze een kijkje boven de grond. De vrouwtjes nemen de hele zorg en opvoeding voor hun rekening. Als er onvoldoende voedsel is, kan ze tot augustus doorgaan met zogen. Tegen de herfst zijn de jonge dassen zelfstandig en gaan al dan niet hun eigen weg. 
 

DE EEKHOORN 

Sciurus vulgaris 

Familie: Eekhoornachtigen (Sciuridae)

Klasse: Zoogdieren (Mammalia)

Orde: Knaagdieren (Rodentia)  

ALGEMEEN 

 

De eekhoorn is 18 tot 24 centimeter lang, is een omnivoor en een knaagdier. Hij heeft een lange pluimstaart en ’s winters opvallende pluimen aan de oren. Met zijn lange gekromde klauwen kan hij gemakkelijk in bomen klimmen en van tak naar tak springen. Zijn staart doet daarbij dienst als roer. Ze hebben meerdere nesten hoog in de bomen en zijn in de vroege morgen of namiddag actief. Voor slechtere tijden leggen ze in boomholtes of in de grond voedselvoorraden aan van eikels, noten en dennenappels. Als aanvulling eten ze, al naargelang de tijd van het jaar, bessen, paddenstoelen, eieren en zelfs jonge vogels. Ze hebben gemiddeld twee worpen per jaar met één tot zes jongen. Natuurlijke vijanden zijn o.a. de boommarter en de havik.
 

HAZEN EN KONIJNEN 

Familie: Hazen en Konijnen (Leporidae)

Klasse: Zoogdieren (Mammalia)

Order: Haasachtigen (Lagomorpha) 

ALGEMEEN 

 

Het zijn zoogdieren behorende tot de orde van de haasachtigen. Ze zijn gemakkelijk van elkaar te onderscheiden. Het konijn is opmerkelijk kleiner, heeft kortere achterpoten en ook de oren zijn opvallend korter dan die van de haas en hebben geen zwarte punten. De lange oren zijn zeer beweeglijk  om geluid en richting te kunnen bepalen en zorgen voor afgifte van overtollige lichaamswarmte. Konijnen wonen in grote groepen in een hol, dat is gegraven in een heuvel of helling. De haas is een eenling en ligt overdag in een zelf gegraven beschut kuiltje (leger) of in een voor op een bouwland. In de paartijd vormen hazen kleine groepjes. Beiden zijn herbivoren (planteneters). De jongen van het konijn worden in een hol geboren (wentel) en zijn naakt en blind. Jonge hazen komen behaard, ziende en met tanden ter wereld en liggen in een leger. Kruisingen tussen haas en konijn zijn gezien de grote biologische verschillen niet mogelijk. 
 

MARTERACHTIGEN 

(Mustelidae)  

Klasse: Zoogdieren (Mammalia)

Orde: Roofdieren (Carnivora) 

ALGEMEEN 

In Nederland zijn de marterachtigen streng beschermd. Het is de soortenrijkste familie van de roofdieren. Tot onze marterachtigen behoren o.a.: wezel, hermelijn, nerts, bunzing, boommarter en steenmarter.

 

Marterachtigen hebben over het algemeen een langgerekt lichaam en korte poten met lange scherpe nagels.  Het zijn hoofdzakelijk nachtdieren. Net als alle carnivoren (vleeseters) hebben ze grote scherpe hoektanden en puntige kiezen. Bij de anale opening hebben ze een stinkklier waarmee, door middel van een afstotende geur, vijanden op afstand worden gehouden. Hiermee bakenen ze  ook het territorium af.  Ogenschijnlijk kennen ze geen angst. Ze nemen bijna nooit een afwachtende houding aan, maar gaan vrijwel direct tot de aanval over. 
 

DE VOS 

Vulpes vulpes 

Familie: Hondachtigen (Canidae)

Klasse: Zoogdieren (Mammalia)

Orde: Roofdieren (Carnivora)

Mannetje: rekel
Vrouwtje: moervos
Jong: welp 

ALGEMEEN 

Er zijn talloze verhalen waarin de sluwheid van de vos wordt beschreven. Waar of niet blijft hier in het midden. Feit is, dat de vos vindingrijk en sluw is en zich in de meest uiteenlopende biotopen kan handhaven. Zijn voorkeur gaat echter uit naar bebost gebied. 

UITERLIJK 

De vacht is over het algemeen roodbruin. Lengte inclusief staart: ongeveer 110 centimeter, schouderhoogte ± 40 centimeter, gewicht gemiddeld 8 kilogram. 

LEVENSWIJZE 

Vossen wonen in een hol (vossenbouw). Ze graven het zelf, vergroten een konijnenhol, of maken gebruik van een al dan niet bewoond dassenhol (burcht). Ze jagen voornamelijk ’s nachts. Hun territorium beslaat drie tot vier vierkante kilometer. Het hoofdvoedsel bestaat uit muizen, maar als omnivoor eet de vos alles wat in zijn gebied voorkomt.  

GEBOORTE 

Na de paartijd (ranstijd) januari en februari, bekleedt de moervos in het voorjaar een hol met haar zachte buikharen. In de dagen voor de geboorte blijft zij daar. Het mannetje brengt haar voedsel. In april of mei worden vier of vijf jongen geboren, die niet groter zijn dan een mol. De eerste weken blijft zij bij de welpen. In deze tijd verzorgt de rekel de moervos en later ook de welpen. Na twee weken gaan de ogen open en na zo’n vier weken komen ze voor het eerst naar buiten. Tot acht weken worden ze gezoogd. Bij verstoring brengt de moervos de welpen naar een andere bouw. Tegen de tijd dat de welpen zelfstandig worden, krijgen ze vaak levende prooi. Daarop oefenen ze spelenderwijs het jagen. Eind september gaan ze op zoek naar een eigen territorium.

Ga hier naar de foto's van kleinwild.