Andy van Ommeren wildfotografie

 HET REE 

Capreolus capreolus
 Familie: Herten (Cervidae)
Klasse: Zoogdieren (Mammalia)
Orde: Evenhoevigen (Artiodactyla)
Mannetje: bok
Vrouwtje: geit
Jong: kalf

ALGEMEEN
 Het ree is geen jong hert en zal dus nooit een ”groot hert” worden. In  Nederland is het ree de kleinste en meest voorkomende hertachtige. Het is een beschermde inheemse diersoort. Reeën zien matig, horen goed en ruiken uitstekend. Ze passen zich gemakkelijk aan en leven in zowel bos- als landbouwgebieden. De voorkeur gaat uit naar ondoordringbaar kreupelbos afgewisseld met akkers en weiden. Voorwaarde is voldoende voedsel, dekking, rust en veiligheid. Reeën zijn echte fijnproevers. Ze ”snoepen” graag van o.a. jonge landbouwgewassen, knoppen en jong blad. Het zijn herkauwers en kunnen wel tot vier kilogram voedsel per dag tot zich nemen. Binnen het leefgebied verplaatsen ze zich graag volgens vaste trajecten (reewissels). 

UITERLIJK 

De schofthoogte van een ree is 70 tot 90 centimeter, lichaamslengte ± 120 centimeter en weegt tussen de 20 en 25 kilogram, de geiten iets minder. De vacht heeft ’s zomers een mooie roodbruine kleur. Uitzonderingen zijn zwarte exemplaren. De vele malen dikkere wintervacht varieert van grijs tot donkergrijs. Een opvallend kenmerk is de lichte vlek rond de aarsstreek (de spiegel). ’s Winters is de spiegel wit, in de zomer gelig en veel kleiner. Bij gevaar of onrust zet de spiegel uit. Door lichaamsvorm en afmeting is het ree uitermate goed in staat zich door dichte ondergroei en hoog gras voort te bewegen. Ook bij deze hertensoort heeft alleen de bok een gewei.  

GEWEI 

Vanaf de nazomer heeft het bokkalf twee knobbeltjes op de kop, de  rozenstokken. Daarop groeit een klein met huid overdekt geweitje. Rond de negende maand wordt dat al afgeworpen en direct daarna groeit er een nieuw gewei. Meestal onvertakt (spitser) of één maal vertakt (gaffel). Het nieuw te vormen gewei is zacht, kwetsbaar en gevoelig. Het wordt beschermt door een fluwelige huid rijk aan bloedvaten en zenuwen (de bast). Rond mei is het gewei verhard. De afgestorven bast wordt door vegen aan boompjes en struiken verwijderd. Bij volwassen bokken is het gewei meestal drie maal vertakt. Men spreekt dan van een zesender. Zeer zelden komt een acht- of tienender voor. Van jaar tot jaar zijn er veranderingen in het aantal enden mogelijk. Er is geen verband tussen het aantal enden en de leeftijd. 

LEVENSWIJZE  

Het grootste deel van het jaar leven de reeën solitair. In de winter leven bokken en geiten vreedzaam samen in groepen. Zo’n groep noemt men een sprong. Hoe meer reeën in een gebied hoe groter de sprong kan zijn. Reeën zijn tamelijk plaatsgebonden. Het leefgebied varieert in grootte van enkele hectare tot 2 vierkante kilometer. In het voorjaar wordt het gebied kleiner ze vestigen zich dan in een territorium. De reebok bakent zijn territorium af door met het gewei tegen boompjes en struiken te slaan (vegen). De van schors ontdane witte stammetjes zijn een optisch signaal. Door middel van geurklieren, tussen de achterste hoefjes en ook tussen de stangen van het gewei, verspreidt de bok geurvlaggen. De grenzen worden goed bewaakt en soms fel verdedigd. Ook de geiten hebben een territorium weliswaar met minder duidelijke grenzen zodat ze elkaar soms overlappen.

PAARTIJD 

De bronst (paartijd) is van half juli tot half augustus. De geit is drie tot vijf dagen bronstig. Zij probeert door geurverspreiding en korte geluidjes (fiepen) de aandacht van een bok te trekken. Als de bok haar geur heeft geroken zal hij haar blijven volgen. De bok drijft de geit met zijn neus tegen haar achterhand door het gebied. Ze lopen vaak in cirkels, om een boom of struik waardoor uitgesleten paden ontstaan (heksenkringen). Als de geit paringsbereid is zal ze blijven staan en de bok zal haar beslaan. Zolang de geit bronstig is blijft hij bij haar en  paren ze meerdere keren. In deze tijd worden de kalfjes alleen gelaten maar na de bronst zijn ze weer snel herenigd. De bok gaat op zoek naar een andere geit. Reegeiten hebben in tegenstelling tot andere grofwildsoorten een verlengde dracht. Pas in december komen de bevruchte eicellen tot ontwikkeling. Tussen half april tot eind juni worden de kalfjes geboren (piek in mei).

 
GEBOORTE 

De totale dracht duurt 41 weken. De geit brengt doorgaans één of twee kalfjes ter wereld. Het gewicht is ± 1,5 kilogram. Al na een uur kan het kalf staan en wat ronddartelen. Goed verstopt in de dekking of het hoge gras wordt het kalf de eerste dagen alleen gelaten en wordt enkel door haar opgezocht om te zogen. Het kalf drukt zich en blijft het merendeel van de dag onbeweeglijk liggen. Van enige afstand houdt zij het jong goed in de gaten. Het kalfje geeft weinig of geen geur af en door de geweldige schutkleur, donkerbruin met lichte vlekken, valt het niet op. Op deze manier is het kalf behoorlijk veilig voor natuurlijke vijanden, de vos en het wilde varken. Bij onraad blijf het kalfje roerloos liggen. Na ongeveer tien dagen loop het kalf met de geit mee. Kalfjes blijven zeker een jaar bij de geit. 

 
PAS OP!!!

Als u ooit een reekalf ziet liggen… 

                                     Laat het kalf met rust en loop door                                     

                                   Niet aanraken

                                   Niet meenemen

                                   Het kalf is NIET verlaten!!!  

Ga hier naar de foto's van reewild.