Andy van Ommeren wildfotografie

HET EVERZWIJN 

Sus scrofa 

Familie: Varkens (Suidae)

Klasse: Zoogdieren (Mammalia)

Orde: Evenhoevigen (Artiodactyla)
Mannetje: beer of keiler
Vrouwtje: zeug of bagge
Jong: big of frisling

 
ALGEMEEN
Het everzwijn wordt doorgaans wildzwijn of ever genoemd. Het is een beschermde inheemse diersoort. Ze leven in loof- en gemengde bossen. Wilde zwijnen zijn omnivoren (alleseters). In grote getale leven ze op de Veluwe en hebben in ons land geen natuurlijke vijanden. Deze dieren zijn uitzonderlijk pienter, zien slecht maar kunnen uitstekend horen en ruiken. In het wild worden ze ongeveer tien jaar.

 
UITERLIJK
Zelfs een lek zal bij een ontmoeting in het bos het wilde zwijn met geen enkel ander dier verwarren. De schofthoogte is 70 tot 120 centimeter, de lengte 100 tot 150 centimeter en het gewicht 100 tot 150 kilogram. De zeugen zijn kleiner en lichter. De wintervacht is zwartbruin met borstelige haren, in de zomer zijn de haren kort en bleek van kleur. Wilde zwijnen hebben een gedrongen romp  en een lange keilvormige kop. Ze hebben een beweeglijke aan het uiteinde afgeplatte snuit (wroetschijf).  Opvallend bij de keiler zijn de driekantige slagtanden (hoektanden). Ze staan naar boven gericht en groeien levenslang door. Deze hoektanden en de sterke beweeglijke snuit zijn uitermate geschikt om de grond om te woelen op zoek naar voedsel. 

LEVENSWIJZE 

Everzwijnen zijn sociale dieren en leven in familiegroepen (rotten). Zo’n rotte bestaat uit zeugen, biggen en de jongen van het jaar ervoor (overlopers). Buiten de paartijd leven de keilers alleen. Ze houden zich wel op in de buurt van een groep. Wilde zwijnen worden in de schemering actief en kunnen ’s nachts, op zoek naar voedsel grote afstanden afleggen. Soms wel tot tien kilometer. Ze doen zich  voornamelijk te goed aan plantaardig voedsel maar ook aan aas, wormen, slakken en knaagdieren. Als ze de kans krijgen eten ze zelfs herten- of reekalveren.  Een moerassige of modderige plek in het bos gebruiken ze graag om een modderbad te nemen (zoelen). Dat doen ze om lastige huidparasieten kwijt te raken. Naast zo’n plek staan meestal één of meer bomen, waaraan zij zich na het zoelen schuren. Met het wilde zwijn valt niet te spotten. Normaal zal het dier bij vermeend gevaar of verstoring weglopen.  Maar… een zeug met biggen of een in het nauw gedreven zwijn deinst er niet voor terug om aan te vallen. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen mens of dier. Menig opdringerig toeschouwer heeft in een boom een veilig heenkomen moeten zoeken en helaas is menig loslopende hond op die manier vroegtijdig aan zijn einde gekomen.

PAARTIJD 

De paartijd van is van november tot januari en heeft verschillende benamingen zoals bronst, beer- of ranstijd. De keilers voegen zich bij de rotten. Onder de volwassen keilers ontstaan verwoede gevechten om de zeugen. Ze gaan elkaar onstuimig te lijf door met de koppen te slaan. De verdikte huid op de schouders vangt de klappen van de scherpe hoektanden op, die ze dan als wapen gebruiken. De winnaar paart met de zeugen. De keiler gaat daarbij niet bepaald zachtzinnig met de dames om. Hij omcirkelt de zeug en slaat, port en duwt waarbij de zeug soms hard gilt. 

GEBOORTE 

In het voorjaar zondert de hoogdrachtige zeug zich af. Zij zoekt een rustige en veilige plaats in de dekking. Onder een struik of dichte sparren maakt zij een kuil (ketel). Deze wordt bekleed met takken, mos en varens en de kuil wordt ook weer met takken afgedekt. Hierin worden, na een draagtijd van 120 tot 130 dagen, de biggen geboren. Het aantal biggen per worp is gemiddeld vijf tot zeven en wegen bij de geboorte ongeveer één kilogram. De vacht is roodbruin met lichte lengtestrepen (pyjama). Ze hebben meteen open ogen en hoewel ze de moeder al kunnen volgen, blijven ze de eerste week in de ketel.  Daarna maken ze geleidelijk aan verdere ”uitstapjes”. De biggen worden drie maanden gezoogd. Ze is een goede moeder en voortdurend op haar hoede. Alleen andere zeugen met biggen mogen in de buurt van haar kroost te komen. Niet zelden sluiten twee of meer zeugen met minstens twee weken oude biggen zich bij elkaar aan en blijven soms wel tot de herfst bij elkaar.

Ga hier naar de foto's